Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3181

Datum uitspraak2004-09-22
Datum gepubliceerd2004-10-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3515 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing aanvraag WW-uitkering. Betrokkene voldoet niet aan de in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW gestelde eis dat in 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken als werknemer arbeid is verricht.


Uitspraak

02/3515 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van l januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 mei 2002, nr. AWB 01/2440 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 11 augustus 2004. Appellant is in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Koopman, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING 1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt met het volgende volstaan. 2.1. Appellant had met BRO Adviseurs BV (BRO) een arbeidsovereenkomst op basis waarvan hij met ingang van 30 augustus 1999 werkzaamheden is gaan verrichten voor de duur van twaalf maanden. Op 5 februari 2000 is hij ziek geworden in verband waarmee hij geen werkzaamheden meer heeft verricht voor BRO. Het dienstverband is op 29 augustus 2000 geëindigd. Per 5 februari 2001 is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In verband met de daarmee samenhangende werkloosheid heeft appellant per 5 februari 2001 bij gedaagde een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. 2.2. Bij besluit van 20 februari 2001 heeft gedaagde appellants aanvraag afgewezen. Volgens gedaagde voldoet appellant niet aan de in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW gestelde eis dat in 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken als werknemer arbeid is verricht. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 30 mei 2001. 3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht het volgende. 4.1. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat de in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW bedoelde referteperiode loopt van 10 mei 1999 tot 5 februari 2001. Voorts verschillen partijen er niet over van mening dat appellant van 30 augustus 1999 tot 5 februari 2000 in 23 weken arbeid als werknemer heeft verricht. Het geding spitst zich toe op de vraag of appellant ook in voldoende weken voorafgaande aan zijn indiensttreding per 30 augustus 1999 arbeid heeft verricht die in het kader van de referte-eis behoort te worden meegerekend. Appellant stelt dat hij reeds voor 30 augustus 1999 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaamheden voor BRO heeft verricht. 4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aan de referte-eis voldoet. Weliswaar is appellant voordat zijn officiële dienstverband op 30 augustus 1999 inging betrokken geweest bij een project van BRO voor de gemeente Stein, maar appellant heeft niet aangetoond, noch is anderszins aannemelijk geworden dat de desbetreffende werk-zaamheden zijn verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met BRO. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stukken waarop appellant zich beroept, te weten de schriftelijke verklaring van BRO en een salarisstrook over de maand september 1999 onvoldoende bewijs bieden. Hetzelfde geldt voor een weergave van de voorcalculatie van dat project. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat appellant bij zijn aanvraag voor een WW-uitkering heeft vermeld dat de arbeidsovereenkomst met BRO op 30 augustus 1999 is aangevangen. 4.3. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. 5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2004. (get.) M.A. Hoogeveen. (get.) L. Karssenberg. EK2109